A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
MAA
MAN
ME
MES
MI
MO
MOL
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

moljèèr

zn (ne), mv: moljèès - verklw: moljèrreke (e)

1. Lage herenschoen met vetersluiting. [>Fr. molière]

E[j] eïj ne leïjre moljèèr gekocht in 't Modèrren Schoentsje. = Hij heeft een lederen molière gekocht in de winkel met de naam Modern Schoentje.

 

mondmuzikske

zn (e), =verklw, mv: mondmuzikskes

1. Mondharmonica.

Spëlde gij een ëxtermènt? - Neeje! Alliëjn e mondmuzikske. = Bespeel jij een instrument? - Neen, alleen mondharmonica.

 

monnekemâân

Zie: mannekemâân.

 

môô

zn (een), mv: môôs - verklw: môôke (e)

1. Made. Meestal gebruikt in de verkleinvorm.

E môôke vë te visse. = Een made om te vissen.

Viste gij më môôkes of më vëddevasj? = Vis jij met mades of met muggelarven?

 

2. Luim, gezindheid.

E[n] eïj weer een môô. = Hij is slecht geluimd. Dit is hetzelfde als: e[n] eïj wee[r] een loet.

 

mooëre

zn (ne), mv: mooëres - verklw: meürreke (e)

1. Moor, kookketel voor water (moor is zwart, en zou dus kunnen komen van een zwartgeblakerde ketel).

Zët ës ne mooëre wââter oep't vuur. = Zet een ketel water op het vuur.

E meürreke[n] iëjt wââter in't bat doen. = Een ketel heet water in de badkuip gieten.

 

 

mooëse

ww, verv: mooës - mooëste - gemooëst

1. Prutsen, dingen doen zonder kennis van zaken, klungelen. Wordt meestal gebruikt om aan te geven dat iemand onhandig is.

Leüt diëj raddejoo naa stâân èn zit er ni[j] âân te mooëse! = Laat die radio staat en pruts er niet aan!

 

mooësel

zn (e), mv: mooësels

1. Ringvormige metalen versterking rond een steel of een handgreep van gereedschap.

Den beüstel aa iëjl de nacht boïjtegestâân, èn da was ek vergeete. As ek van de morreget den beüstel bij 't mooësel vastpakte, bleeve mijn vingers derâân plèkke, want 't aa iëjl de nacht gevrooze. = Ik was vergeten dat de bezem de hele nacht had buitengestaan. Toen ik hem vanmorgen bij de metalen ring vastnam, bleven mijn vingers aan het metaal plakken, want het had de hele nacht gevrozen.

 

môôf

bijv nw, tvgl: môôve

1. Een zachte, met geel gemengde paarse kleur hebbend, warm purper, mauve. [>Fr. mauve = met de kleur van malve]

'k Zaa geïjre da môôf kliëjke[n] oïjt d'ëtalaazj ës passe. = Ik zou graag die purperen jurk die in het uitstalraam staat eens aanpassen.

Môôf-wit? Da's den Anderlëcht. = Paars-wit? Dat zijn de kleuren van voetbalploeg Anderlecht.

Zen vingers zââge môôf van de kaa, èn zen lippe[n] ooëk. = Zijn vingers waren blauw van de kou, en zijn lippen ook.

 

môôsteek

zn (ne), mv: môôsteeke - verklw: môôstëkske (e)

1. Steek van een made of van een worm, vooral in fruit.

'k Aa ne kilo peïjre gekocht èn dââ wââre[r] dreïj më môôsteeke. = Ik had een kilo peren gekocht en drie peren waren door maden aangetast.

 

moozegat

zn (e/'t), mv: moozegââte - verklw: moozegotsje (e)

1. Afloop voor vuil water, rioolputje. Vroeger was het een klein gaatje in de muur, langs waar het water naar buiten kon. Waarschijnlijk genoemd naar moos , vuil water dat overblijft na het kuisen. Meestal werd deze afvoer eenvoudigweg afgesloten door er een plaatje voor te zetten.

Git den iëjmer mââ[r] in't moozegat. = Giet die emmer (vuil) water maar in de afvoer.

Stââ[g] et moozegat al oope? = Uitdrukking die terugslaat op lang vervlogen tijden, toen het moozegat eigenlijk als bliksemafleider fungeerde. Als het onweerde, bestond er namelijk altijd de kans dat de bliksem insloeg.  De mensen spraken dan van nen donderstiëjn (= bolbliksem) die in huis kwam. Door het moozegat open te zetten werkte dit als "bliksemafleider", omdat het gat laag bij de grond was en eigenlijk altijd aan beetje vochtig en daardoor als goede geleider dienst deed.

 

2. Ook figuurlijk gebruikt om aan te duiden dat iets verloren is.

Da's deu't moozegat. = Dat is verdwenen, dat is weg.

 

 

mossel

zn (een), mv: mossele - verklw: mosseltsje (e)

1. Mossel (schaaldier). [>Lat. Mytilus edulis]

Mossele më fritte èn e gelas bier. = Een portie mosselen met frieten een glas bier.

Mossele moet eete in de meunde më[j] een èèr. = Mosselen zijn het lekkerst in de maanden waarvan in de naam de letter "R" voorkomt.

 

2. Slag.

Een mossel teegen aa ooëre krijge. = Een draai om de oren krijgen, een oorveeg krijgen.

 

3. Scheldnaam voor een vrouw (of meer bijzonder: het vrouwelijk geslacht).

Die stoeme mossel eïj'ta wee gâân verrôô. = Die domme vrouw heeft dat verraden.

 

mosseling(st) / mosselèngst

zn (een)/(ne), mv: mosseling(st)e / mosselèngste

1. Klein schip dat mosselen ophaalt aan de kust en dan de rivieren en kanalen opvaart. De schipper verkoopt de mosselen aan de wal.

De mosselingst leïj[j] al in't saske. = Het mosselscheepje ligt al in de sluis (van Klein Willebroek).

Ik kooëp alliëjn mossele[n] bij de mosseling. = Ik koop mosselen rechtstreeks bij de mosselboer aan het schip (waarschijnlijk om aan te duiden dat die klant alleen heel verse mosselen wil kopen).

 

 

 

mot

zn (een), mv: motte - verklw: motteke (e)

1. Mot, nachtvlinder. [Lat. familie Tineidae]

A me sââves in den of zitte in de scheemer, dèn komme de motte. = Als we bij valavond in de tuin zitten, komen de nachtvlinders.

Da ziede naa toch zooë da de mot der in zit! = Dat merk je nu toch onmiddellijk, dat er motten in zitten (in kleding).

 

2. Slaag, rammel.

Imant een goej mot teege zen ooëre geeve. = Iemand een flinke oorveeg geven.

 

3. Ook figuurlijk.

'k Aat al lank in de mot, dat er iet was tusse die twiëj. = Ik had het al lang door, dat die twee een relatie hadden.

Mot deroep! = Recht in de roos.

 

motbussel

zn (een), mv: motbussels - verklw: motbusselke (e)

1. Scheldnaam voor een dikke vrouw of een dik meisje met een ineengedrongen gestalte.

Zie die dikke motbussel dââ naa looëpe. = Zie dat dikke meisje daar nu lopen.

 

mots(j)iklët

zn (ne), mv: mots(j)iklëtte - verklw: mots(j)iklëtteke (e)

1. Motorrijwiel, bromfiets.

Më ne motsjiklët kunde ijgelek ooveral deu, ooëk as d'ottoos in de fil stâân. = Met een motorrijwiel kan je eigenlijk overal langs, zelfs als auto's in de file staan.

 

 

motteg

bijv nw, tvgl: motteg - motteger - mottegst

1. Lelijk, niet toonbaar.

Wad'ës me da veu ne mottege vènt! = Wat is dat een lelijke man!

 

2. Onwel, ziek, misselijk, ongemakkelijk.

'k Weür motteg a'ze'k âân eete paas. = Ik word onwel als ik aan eten denk.

 

 

muggepis

zn (ne/de), geen mv

1. Neerslag in de vorm van motregen, fijne druppels of heel natte nevel.

Ne pèrreplie ës naa ni[j] ëcht nooëdeg më deeze muggepis! = Een regenscherm heb je echt niet nodig in deze stofregen.

 

2. Aanduiding van een kleine hoeveelheid, maar dan meestal juist in ontkennende betekenis.

Da's ooëk giëjne muggepis! = Dat is ook niet niks! Dat zou je beter niet onderschatten!

 

mumbol

zn (ne), mv: mumbolle - verklw: mumbolleke (e)

1. Lekkernij, karamel, ulevel.

Veü twiëj frang mumbolle èn ne lèkker. = Voor twee frank snoepjes en een likstok.

 

Zie ook: mimbol.

 

musseflapper

zn (ne), mv: musseflappers - verklw: musseflapperke (e)

1. Katapult, kattepul. V-vormig houten staafje, waartussen een elastiek wordt bevestigd. Hiermee kan men kleine projektielen katapulteren.

'k Aa e froppeke nââ de juffraa geschoote èn z'eïj mene musseflapper afgepakt. = Ik had een papieren propje naar de (school)juffrouw afgeschoten, en nu heeft ze mijn kattepul afgenomen.

 

musseschrik

zn (ne), mv: musseschrikke - verklw: musseschrikske (e)

1. Mussenverschrikker, vogelverschrikker, gemaakt uit wapperende lappen die al of niet in de gedaante van een pop worden gedrapeerd, opgesteld om de vogels af te schrikken van bezaaide velden.

Oem de voogels wëg te jââge van ze vëld, aa em ne musseschrik gezët. = Om de vogels te verjagen van het veld (waar net gezaaid was) had hij een vogelverschrikker gemaakt.

 

2. Ook figuurlijk, om aan te geven dat iemand zich op slechte manier gekleed heeft.

'k Von et ni plizant da gij oep mij fiëjsje gekliëjd as ne musseschrik kwomt binnevalle. = Ik vond het niet zo prettig dat je zo slecht gekleed op mijn party binnenwandelde.

 

mwajèèn

zn (ne), geen mv

1. Middel, methode om iets te bereiken of te verwezenlijken. [>Fr. moyen]

Më giëjne mwajèèn kon ek eur van eur gedacht afbringe. = Het lukte me niet om haar van gedachte te doen veranderen.

 

 

Laatste wijziging 23-06-2008 - Toevoegen afbeeldingen
10-05-2008 - Toevoegen afbeeldingen
23-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl