A  B
 C  D
 E  F
 G  H
GA
GE
GEM
GI
GO
GR
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

gâânstok

zn (ne), mv: gâânstokke - verklw: gâânstokske (e)

1. Wandelstok, letterlijk een stok die gebruikt wordt om "te gaan".

A'k mene gâânstok bij[j] ëm voel ek mij veul geruster - a'k em ni bij[j] ëm ëm ek altij schrik oem te valle. = Als ik mijn wandelstok bij heb, voel ik me stukken geruster - zonder heb ik vaak angst om te vallen.

 

gaas

zn (`t), mv: -

1. Gas.

Kokte gèlle[n] oep ëlektrik of më gaas? = Koken jullie met een elektrisch vuur of met een gasvuur.

Kom joeng! Trapt oep zene sjèèt! Gaas geeve! = Komaan man! Duw het gaspedaal in! Gas geven!

 

gaat

bijv nw, stofnaam

1. Gemaakt van goud of met goud bedekt.

Diëjn eïj nen tant van gaat. = Hij heeft een gouden tandprothese.

 

zn (`t), mv: -

2. Goud, chemisch element, stofnaam.

Ne rink in gaat. = Een gouden ring.

 

3. Bedekt met of gemaakt van goud.

Da's iëjlemââ in `t gaat. = Dat is helemaal vervaardigd van goud.

Een brazjelët oïjt gaat. = Een gouden armband.

 

gaave

bijv. nw, geen tvgl.

1. Gemaakt van goud of met goud bedekt.

Ne gaave[n] tant. = Een met goud bedekte tandprothese.

Diëj dènkt zeeker dattem ne gaave[n] eïj? = Die man heeft een zó hoge dunk van zichzelf, dat hij denkt zich alles te kunnen veroorloven.

Ze viere[n] eele gaave zjubbelee. = Ze vieren hun 50ste huwelijksverjaardag.

 

 

gaffele

ww, verv: gaffel - gaffelde - gegaffeld

1. Schrokkerig grote hoeveelheden eten. Komt van het gebruik van de gaffel: een soort van hooivork waarmee telkens een grote hoeveelheid op de hooikar kan worden geschept.

Zie diëj sloeker naa ës zitte gaffele! E[n] eïj persies al een meünt giëjn eete nemiëj gezien! = Zie hem daar zitten schrokken! Het lijkt net of hij in geen maand eten gekregen heeft!

 

galëtteke

zn (e), =verklw, mv: galëttekes

1. Wafeltje, rond of rechthoekig van vorm. Tussen twee van deze wafeltjes worden één of meer bollen ijsroom gelegd, om op die manier het ijsje te consumeren. [>Fr. galette = ronde platte koek, scheepsbeschuit]

Gââde gij nââ 't krèèmkarreke? Twiëj toorekes èn drij galëttekes! = Ga jij naar het ijskarretje? Breng je voor mij twee hoorntjes en drie galettes mee?

gallosje

zn (de), =mv, verklw: gallosjskes

1. Overschoenen. [>Fr. galoches]

Më[j] al diëj reïgen kunde beïjter aa gallosje[n] âândoen, in pleüts van die sandallekes. = Door de gevolgen van de aanhoudende regen kan je beter bottines dragen dan sandalen.

 

2. Figuurlijk gebruikt om minder elegante schoenen te beduiden.

Zëllefs al drââgt die de fènste iltsjes, dèn zèn 't nog persies gallosje. = Zelfs met de fijnste schoenen ziet zij er nog altijd even on-elegant uit.

 

 

gamël

zn (een), mv: gamëlle - verklw: gamëlleke (e)

1. Etensblik, eetketeltje, dat vooral wordt gebruikt door soldaten of jeugdgroepen als ze op kamp gaan. Het bestaat uit een balkvormig blik, meestal met passend deksel, waaraan een uitklapbaar handvat zit. Op die manier voorkomt men de handen te branden, als er warme spijzen in worden gedaan. Het etensblik wordt zowel gebruikt om soep uit te eten, als andere bereidingen. [>Fr. gamelle] [>Sp. gamella]

'k Gâân agaa men gamël oïjt mene kitsak pakke, èn men eeten ââlen in  de vëltkeuke. = Ik haal snel het etensblik uit mijn rugzak, en haal eten in de veldkeuken.

 

As m'oep kamp gâân më de scoots, eete me natuurlijk oïjt gamëlle. Zied ons dââr al më tallooëre soekele? = Als we met de scouts op kamp zijn, eten we uit een blikken keteltje. Zie je ons daar al borden (en alle nadelen ervan) gebruiken?

 

2. Ook figuurlijk: doordat een gamël uit blik is, en dat dit etensblik in alle omstandigheden wordt meegenomen, krijgt het etensgerei al gauw deuken. Ondanks dat het blik best bruikbaar blijft, ziet het er vaak oud en gebruikt uit. Vandaar dat men de uitdrukking een aa gamël gebruikt om een ouder voorwerp aan te duiden, waaraan men duidelijk de tand des tijds herkent. Misschien wordt het woord ook gebruikt voor het Nederlandse woord "gammel"?

Noemde gij die[j] aa gamël nog nen ottoo? 't Reïjgent ooveral binne èn ge verstokt drij kiëjre zoveel naft as in ne nieven ottoo! = Noem jij die oude wagen nog een auto? Er zijn overal lekken, en het verbruik ligt drie maal zo hoog als bij een nieuwe wagen!

 

gank

zn (ne/de), verklw: gankske (e)

1. Doorgangsruimte, waar meestal meerdere deuren op uit komen.

Angt'aave frak mââ[r] âân de kapstok in de gank. = Hang je jas maar in de vestiaire in de hal.

 

2. Manier van gaan, wijze van lopen.

Diëj mèns eïj ne rââre gank; persies of dat'em altij soempelt. = Die persoon heeft een rare manier van lopen, het lijkt net of hij voortdurend struikelt.

 

garaazj

zn (een), mv: garaazje - verklw: garaazjeke (e)

1. Garage, plaats om een auto te stallen.

Zët den ottoo mââ veu de pooët van de garaazj. = Zet de auto maar voor de garagepoort.

Mijn garaazj ës grooët genoeg oem drij ottoos in te zëtte. = Mijn garage is ruim genoeg om drie auto's te stallen.

 

2. Garage, autoherstelplaats.

'k Moet më menen ottoo nââ de garaazj want 'k ëm stukke. = Ik moet met de auto naar de garage, want er is een defect.

 

3. Plaats waar men auto's verkoopt, meestal bij merkdealers.

'k Zèn verleej zondag nââ de garaazj van de Fort gewëst, want k' paas oem van't jââr ne nieve[n] ottoo te kooëpe. = Vorige zondag ben ik naar de dealer van Ford geweest, want ik denk er over om dit jaar een nieuwe auto te kopen.

 

 

gardavoe

uitdrukking

1. Let op, hoor! Ik hou je in de gaten! [>Fr. garde-à-vous]

Da's naa al iëjl den achternoen da'k aa moet zëgge da ge stillekes moet zijn, èn ge wilt ni leüstere! A ge naa ni derëkt leüstert, dèn krègde sebiet en goej rammeling! Gardavoe, ë! = Dat is nu al de hele namiddag dat ik je zeg dat je stil moet zijn, en je wil maar niet luisteren! Als het nu niet onmiddellijk verandert, dan krijg je seffens een pak slaag! Let op, hoor!

 

gardevil

zn (ne), mv: gardevils

1. Politieman of veldwachter. [>Fr. garde-ville]

Leüpe-leüpe-leüp de gardevil ës dââ. = Volksliedje: haast je, want de politie komt er aan.

 

zegswijze

Gââd oïjt m'ne gardevil! = Ga uit de weg! Maak dat je wegkomt!

gariëjl

zn (e), mv: gariëjle - verklw: gariëjltsje (e)

1. Leidsel, gareel, halsjuk, getouw.

Veu da ge më e pjèèt kunt raa, moete ze gariëjl âândoen. = Vooraleer je een paard kan berijden, moet je opzadelen en zijn leidsel aandoen.

Èn a ge më den ont wilt gâân wandelen, moet zen lis âândoen. En ijgelek ës dad ooëk e gariëjl. = En als je de hond wil uitlaten, moet je hem een leidsel aandoen. Eigenlijk is dat ook een gareel.

 

 

 

gat

zn (e), mv: gatte / gââte - verklw: gatteke/gotsje (e)

1. Opening, gat.

E[j] eïj e gat in zen èm gemokt. = Hij heeft zijn hemd gescheurd.

 

2. Meer volkse naam voor het achterste, de billen.

Iet van ze gat schidde. = Iets afwimpelen, proberen om iets niet te moeten doen.

Stââ dââ toch ni zooë âân oe gat te krabbe! = Wordt in meerdere betekenissen gebruikt, o.a.: draai niet rond de pot en zeg wat op je lever ligt.

Më[j] aa gat oemstoempe wa da che mëaa anne rècht zët. = Letterlijk: met zijn achterste omver duwen, wat men net met de handen heeft rechtgezet. Deze uitdrukking kan worden gebruikt om de beperkte beschikbare ruimte aan te duiden, maar ook om de onhandigheid van iemand te bekritiseren.

Më[j] een beneepe gat. = Angstig, niet goed durvend, wetende dat men schuld heeft aan iets.

Oïjt e naa gat komme. = Tegen de zin iets betalen. Wordt meestal gezegd als men het heeft over iemand die gierig.

Die[j] eïj giëj zittend gat. = Ze is altijd in de weer, ze is voortdurend met iets bezig.

Diëjn braave mèns zaa ze gat nog wëggeeve... zooëne goezak! = Die brave man zou zelfs zijn achterste wegschenken ... zo een goed mens!

 

3. Ook figuurlijk.

E pakt ze gat in zen anne, èn e[j] ës er më wëg! = Hij gaat weg! Hij pakt alles in en verlaat ons / de zaak! Hij stapt het af! Hij verdwijnt! Hij sluipt weg!

Dââ veïj'k ik me gat âân, joeng! = Daar trek ik me niets van aan, kerel! Daar hou ik geen rekening mee, hoor!

Teege[n] aa gat! Dââ zèn aa bille 't dikst! = Daar kan je naar fluiten! Dat krijg je niet voor elkaar!

Ze gat drôô = zich omkeren, zich omdraaien, weggaan.

'k Aa me gat nog niet gedrôôd of ze wââren al trig kattekwââ âân't oïjtââle. = Ik had me nog niet omgedraaid, of de rakkers haalden alweer kattekwaad uit.

Ge moet aa kliëjt ës lââte pèsse! 't Komt persies oïjt et gat van e vèrreke! = Je moet je jurk laten persen! Ze is helemaal gekreukt!

As gij bij den troep zè, dèn zeülde nog dikkels paaze oe goe da g'et ie toïjs ot! Da zal aa gatteke nogal ës vââre, së! = Als je je militaire dienstplicht volbrengt, zal je nog vaak beseffen hoe goed je het thuis wel had! Daar ga je flink moeten aan wennen / dat zal je vaak missen!

 

4. uitdrukking: achterimantzegatlooëpe = Iemand volgen, iemand navolgen, iemand involgen, doen wat iemand zegt.

A ge naa paast da'k ik achter imantzegatgâânlooëpe oem iet gedâân te krijge, dèn ëdde't toch verkiëjrd veu, zënne! = Als je nu denkt dat ik iemand naar de mond ga praten om er voordeel uit te halen, dan denk je echt wel verkeerd.

Ge moet ni achtermegatlooëpe! Dad eüllept ni! Va mij krègde niks, èn dââmee oïjt! = Je moet me niet proberen te paaien, dat helpt niets. Van mij krijg je toch niks, en daarmee uit!

 

 

gatdèrrem

zn (ne), mv: gatdèrreme

1. Aars, darm aan de anus.

 

gatkrabber

zn (ne), mv: gatkrabbers - verklw: gatkrabberke (e)

1. Letterlijk iemand die voortdurend aan zijn achterste staat te krabben: Stâât dââ ni zooë âân aa gat te krabbe.

 

2. Wordt ook figuurlijk gebruikt om iemand aan te duiden die niet veel durft, of die altijd treuzelt.

Stââ ni âân aa gat te krabbe ën doe veüts! = Sta niet te treuzelen, ga verder.

 

gatlèkker

zn (ne), mv: gatlèkkers - verklw: gatlèkkerke (e)

1. Vleier, mouwveger. Iemand die probeert door anderen te vleien iets voor mekaar te krijgen, of zijn eigen positie hierdoor te verbeteren. [>Nl. gatlikker]

Van gatlèkkers zè'm ie ni gedint. = Je moet niet proberen om ons te vleien, dat zal je niet helpen.

 

gatteklètser

zn (ne), mv: gatteklètsers - verklw: gatteklètserke (e)

1. Slipjas, pandjesjas. Zo genoemd omdat de slippen van de jas regelmatig tegen de billen tikken. In het oude Nederlands sprak men vroeger ook van een kuitentikker!

As muziekmiëjster kwam më[j] e konsèèr altij[d] oep in ne gatteklètser. = Als dirigent droeg hij bij een concert altijd een slipjas.

Zie ook: pitteleïjr

 

 

Laatste wijziging 15-06-2008 - Toevoegen afbeelding
06-06-2008 - Toevoegen afbeelding
23-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl