A  B
 C  D
 E  F
 G  H
 I  J
 K  L
 M  N
 O  P
 Q  R
RA
RE
RI
RO
 S  T
 U  V
 W  X
 Y  Z

raa

ww, verv: raa - ree - gereeje

1. Rijden. [>Nl. rijden]

Më den ottoo raa. = Met de auto rijden.

E[j] ës më ze velooke van den trotwaar gereeje. = Hij is met zijn fietsje van het voetpad afgereden.

A ge te rap rèt, dèn ëdde kans da z'aa[j] oep den bon zëtte. = Als je te snel rijdt, bestaat de kans dat je beboet wordt.

 

bijw.

2. Blijven liggen, onbewaakt achterblijven, "rondrijden" in de figuurlijke betekenis. [>Nl. rijden]

E lët ze speelgoet wee ligge raa. = Hij laat zijn speelgoed weer onbewaakt achter.

 

bijv nw, tvgl: raa - raver - raast

3. Rauw.

Een raa aar = een rauw ei.

Zooë raa rooët vliëjs moet ekik ni[j] ëmme. = Rood vlees dat niet gaar is lust ik niet.

 

 

zn (de), geen mv.

4. Rouw, periode van rouw.

Da mèns ës naa zës weïjke[n] in de raa, oemda[d] eure vènt gesteüreve[n] ës. = Die vrouw begint nu een rouwperiode van zes weken, omdat haar echtgenoot overleden is.

A ge vruuger in de raa wort, moest'altij zwètte kliëjre drââge en mochte giëj muziek oepzette. = Als je vroeger in een rouwperiode was, was het gebruikelijk om zwarte kleding te dragen, en hoorde het niet om muziek te draaien.

A'k ik klaan was, dèn ging de korbiljaar veu[r] een begrââfenis altij de raa[j] ange: schooën zwètte stof met gaat afgebooërd wier âân de geïjvel gange, en e kroïjs wier veu de deur gezët. = Toen ik jong was, ging de begrafenisondernemer altijd zwarte stof hangen tegen de gevel van het huis van de overledene, en er werd een kruis (op een staf) geplaatst tegen de gevel.

De raa veu de kat drââge. = Vuile nagels dragen.

 

raabant

zn (de/ne), mv: raabanne - verklw: raabanneke (e)

1. Letterlijk: rouwbanden, bandjes in zwarte of donkere kleur om aan te geven dat men rouwt.

Vruuger was et de geweünte as er imant in de famille stierf, oem zës weïjke ne raabant te drââge. = Vroeger was er het gebruik om gedurende 6 weken een rouwband te dragen, als er een familielid overleden was.

Vènte kunnen ne raabant rond eule maa doen, of oep eule revèèr steeke. = Mannen kunnen een rouwband rond de arm doen, of op de kraag spelden.

 

2. Figuurlijk, en dan altijd in het meervoud raabanne: vuil onder de vingernagels, bijv. na het werken.

Diëj garazjist kan dââ ni âân doen dat em altij më raabanne rondleüpt - Da komt oemdat em më zen annen altijd in d'oole zit. = Die automecanicien kan het niet verhelpen dat hij altijd vuile nagels heeft - Het is een gevolg van veel met olie te werken.

Gââd aa nââgels ës keüsse! Sebiet paaze de mènse nog dat er imant dooët ës, as z'aa më die raabanne zien. = Ga je nagels schoonmaken! Straks denken de mensen misschien dat er iemand overleden is, als ze je met die "rouwbandjes" zien.

 

 

 

raajoep

uitroep

1. Maak dat je wegkomt, zowel ten goede als ten kwade gebruikt.

Ier ës aa pree èn raajoep naa! = Hier is je zakgeld en maak nu dat je weg komt!

 

rââp

zn (een), mv: rââpe - verklw: roppeke (e)

1. Raap, knolvrucht. [>Lat. rapum, rapa = knol] [>middelnl. rape, raep]

In utsepot moete roppekes doen. = In hutsepot behoren rapen tot de ingrediënten.

E[j] eïj[d] in men rââpe gescheete. = Hij heeft het verknald bij mij, hij heeft mij nadeel berokkend.

 

 

rââpebakkes

zn (e), mv: rââpebakkesse

1. Iemand met veel puisten op het gezicht.

Ik weet dat diëj joenge de'r niks kan âân doen, mââr ijgelek eïjt em toch e rââpebakkes,ë? = Ik weet dat die jongen er niets kan aan doen, maar eigenlijk heeft hij toch veel puistjes in het aangezicht.

 

raar

zn (ne), mv: raars

1. Mannelijk konijn, rammelaar.

'k Ëm vier kornijne - iëjne raar èn drij vooës. = Ik heb vier konijnen - één rammelaar en drie moeren.

 
 

rââr

bijv nw, tvgl: rââr - râârder - râârst

1. Raar, eigenaardig.

Ëdde diëj rââre vènt dââ zien stâân? = Heb je die eigenaardige man daar gezien?

 

raaziel

zn (een), mv: -

1. Iemand die op een platte of volkse manier rechtuit zijn gedacht zegt. Die persoon geeft daarbij de indruk hard te zijn, wat niet noodzakelijk het geval hoeft te zijn.

Iëjderiëjn vindt da een raaziel. Mââ[r] ik kën em: een grooëte klëp èn e klaan ètteke! = Iedereen vindt dat een harde kerel. Maar ik weet wel beter: een grote mond maar bereid om iedereen te helpen en met iedereen mee te voelen als het erop aan komt.

 

 

raboesteg

bijv nw, tvgl: raboesteg - raboesteger - raboestegst

1. Wild, zonder op te letten.

A diëj klaane[n] zjeüst oïjt zen bëd komt ës em altij veel te raboesteg. = Als dat jongetje net wakker is, is het steeds te wild.

 

raboestechâât

zn (ne), mv: raboestechââte - verklw: raboestechôtsje (e)

1. Iemand die raboesteg is, iemand die wild is en die helemaal niet oplet.

De joenges van sërrewooreg zèn allemââ raboestechââte. = De dag van vandaag zijn de jongens veel te wild.

 

raddejoo / raddijoo

zn (ne), mv: raddejoos - verklw: raddejooke (e)

1. Radio, zowel gebruikt om het toestel aan te duiden als om een zender aan te duiden.

Onze raddejoo was kapot, èn oemda'k ooëk nââ Raddejoo Achtondert wil leüstere, ëm'ek mij naa ne nieve gekocht. Èn 't ës ne goeje, zënne! = Ons radiotoestel was stuk, en omdat ik ook naar Radio 800 wil luisteren heb ik me nu een nieuw toestel gekocht. En het is een goed, hoor!

Gistere[n] ëmme z'oep de vlomse raddejoo gezeïj da de takse gâân vermindere. 'k Zèn ës kerjeus wa dââ van in oïjs komt! = Gisteren heeft men op de nederlandstalige zender (bv. Radio 1) gezegd dat de belastingsdruk gaat verlagen. Ik ben echt benieuwd of dat werkelijkheid wordt!

In de weïjk leüster'ek oep de raddejoo nââ raddejoo Willebroek, mââ sondochs zien'ek miëjstal alliëjn nââ den teevee. = In de week luister is op radio naar Radio Willebroek, maar 's zondags kijk ik meestal alleen TV.

 

radee

zn (-), mv: -

1. Op stap, op pad.

Oep radee gâân = op stap gaan, uitgaan.

 

rafasjol

zn (ne), mv: rafasjolle - verklw: rafasjolleke (e)

1. Speelvogel.

Ooëk më[j] aaver te weürre blëft diëj vènt nen ëchte rafasjol. = Ook al wordt hij ouder, het blijft een echte speelvogel.

 

 

rakkejak

zn (ne), mv: rakkejakke - verklw: rakkejakse (e)

1. Ratelsleutel, boortoestel of schroevendraaier waarbij men een richting kan instellen. De kracht wordt in één richting doorgegeven om te boor of te schroeven. Draait men het handvat in de andere richting, dan zorgt een soort van slipkoppeling ervoor dat dit geen beweging van de schroof of de boor als gevolg heeft.

Ga kunt aa veul ongemakke bespââre deu më ne rakkejak de vijzen in te drôô. = Je kan je heel wat ongemak besparen door een ratelsleutel te gebruiken om schroeven vast te draaien.

 

rammasseere / rammesseere

ww, verv: rammasseer - rammasseerde - gerammasseerd / rammesseer - rammesseerde - gerammesseerd

1. Vergaren, bijeenrapen, verzamelen. [>Fr. ramasser]

Kom, manne! Rammasseerd aale spulle, want me gâân nââr oïjs. = Kom, jongens! Pak jullie spulletjes bij mekaar, want we gaan naar huis.

 

rammelbak

zn (ne), mv: rammelbakke - verklw: rammelbakske (e)

1. Rammelkar, rammelende auto of rammelend vervoermiddel.

A me de lottoo winne, kooëpe me ne nieven ottoo; dèn zè m'iniëjns van diëjn aave rammelbak af! = Als we de lotto winnen, kopen we een nieuwe auto; dan zijn we die oude rammelkar ineens kwijt.

 

rammeleïjr

zn (ne), mv: rammeleïjrs - verklw: rammelèrreke (e)

1. Rammelaar voor kinderen. [>Nl. rammelaar]

Èn schriëjve! Mââ[r] attem ze rammelèrreke[n] ooërde dèn zweeg em. = Voortdurend huilde dat kindje, maar als het zijn rammelaar hoorde werd hij rustig.

 

 

rammenant

zn (de), geen mv

1. Het hele zootje, samenraapsel, overschot, rest, overblijfsel, bocht, uitschot. [>Fr. rémanent = blijvend, overblijvend]

Pakt aave rammenant bijiëjn, èn gââ mee! = Pak je boeltje in, en ga mee!

 

Zie ook: battaklang.

 

2. Minderwaardige goederen of minderwaardig materiaal.

G'ot beïjter wa miëjr gëld oïjtgegeeve, in pleüts van diëj rammenant te kooëpe... = Je had beter iets meer gespendeerd, in plaats van die rommel te kopen...

 

rammenèts

zn (ne), mv: rammenètse - verklw: rammenètske (e)

1. Rammenas, knolvrucht die tamelijk bitter en scherp smaakt. [>Lat. Raphanus sativus]

Rammenèts më broïjne soïjker ës goe veu de keïjl, ëmme ze mij gezeïj. = Rammenas met bruine kandijsuiker is een goed middel tegen keelpijn, werd mij verteld.

 

 

rammetis / rèmmetis

zn (de), geen mv.

1. Reuma, pijnlijke ontsteking van onder andere de gewrichten. [>Fr. rhumatisme] [>Gr. reuma = stroom]

Diëj mèns eïj iëjl ze leïjve gewèrrekt oep 't land, èn naa stâât em stijf van't rammetis. = Die man heeft heel zijn leven hard op het veld gewerkt, en nu is hij stram ten gevolge van reuma.

 

 

ramplassant

zn (ne), mv: ramplassante - verklw: ramplassantsje (e)

1. Vervanger. [>Fr. remplaçant]

Ik aa gedocht oem më den dirëkteur zëllef te spreeke, mââ 't was zene ramplassant. = Ik had gehoopt persoonlijk met de directeur te kunnen praten, maar het was zijn vervanger.

 

ramplasseere

ww, verv: ramplasseer - ramplasseerde - geramplasseerd

1. Vervangen, inruilen voor een nieuw exemplaar. [>Fr. remplacer]

Wie gââ[t] er Zjâânpjèrreke ramplasseere[n] in zene konzjee? = Wie gaat Jean-Pierre vervangen, als hij met vakantie is?

De lamp in de lampedèèr ës kapot. 'k Zal ze vandenââvet ramplasseere. = Het peertje in de staanlamp is stuk. Ik zal het vanavond vervangen.

 

rap

bijv nw, tvgl: rap - rapper - rapst

1. Snel, vlug, rap.

Ge moet naa ni zââge! G'ot mââ wa rapper moete zijn. = Je moet nu niet jammeren! Je had maar wat vlugger moeten zijn.

 

zn (een), mv: rappe - verklw: rappeke (e)

2. Roofje, korstje op een wonde.

'k Gâân dââ niks oepsmeïjre. 't Ës beïjter da da sneeke drooëg blèft. Sebiet komt er wël e rappeke[n] oep. = Ik zal geen zalf op die wonde smeren. Het is beter dat het droog blijft. Seffens komt er wel een roofje op.

 

Zie ook: roef.

 

rappeleere

ww, verv: rappeleer - rappeleerde - gerappeleerd

1. Zich herinneren. [>Fr. se rappeler]

A'k me goe rappeleer ës em e zondach oem brooët gewëst. = Als ik het me goed herinner, is hij zondag brood komen halen.

 

rappèngaa

bijw

1. Vluggelings, snel, overhaast, te vlug.

A ge da zooë rappèngaa doe, dèn verstâân ek wââroem da't oep niks een trëkt! = Als je dat zo vlug-vlug doet, dan begrijp ik waarom het resultaat niet goed is!

 

 

rats

bijw

1. Volledig, compleet, in zijn geheel, totaal.

'k Zèn 't rats vergeete! Da waz'ekik naa rats vergeete! = Dat ben ik volledig vergeten, dat is me helemaal ontgaan.

 

zn (de), geen mv.

2. Knoei, moeilijkheden, penarie.

In de rats zitte = moeilijkheden hebben, in de penarie zitten.

 

ratte

ww, verv: rat - ratte - gerat

1. Stelen, pikken.

Dochte naa[j] ëcht da ge mijn sènte kost ratte? = Dacht je nu echt dat je mijn geld kon stelen?

 

 

ratteere

ww, verv: ratteer - ratteerde - geratteerd

1. Missen, voorbijgaan zonder het te merken, ontgaan, niet slagen in. [>Fr. rater]

Me wââre[n] afgesprooke[n] âân de stââsse, mââ'k paas da me mekandere geratteerd ëmme... = We hadden afgesproken om elkaar te ontmoeten aan het station, maar ik denk dat we mekaar gemist hebben...

't Was gistere ne schooëne fillem oep den teevee, mââ deuda'k moest wèrreke, ëm ek ëm geratteerd. = Gisteren was er een mooie film op televisie, maar doordat ik moest werken heb ik het gemist.

 

rattekââl

bijv nw, tvgl: rattekââl - rattekââler - rattekââlst

1. Radicaal, rechtuit, recht voor de vuist, ongereserveerd.

A ze mij doen kieze tusse soep èn salâât, dèn kieze kik veu soep. Dââ zèn ek rattekââl in! = Als men mij voor de keuze zet tussen soep of salade, dan kies ik soep. Daar ben ik heel rechtuit in!

 

rattekââle

zn (ne/een), mv: rattekââle

1. Radicaal persoon, iemand die rechtuit en recht voor de vuist zijn mening zegd, ongereserveerd iemand.

't Ës ni wââr, ë! Da moet naa toch wël lukke da'k ik âân 't lokët stâân, as diëj rattekââle[n] iet moet komme vrââge. 'k Aaf men èt al vast! = Dat kan toch niet! Het is toch wel straf dat net ik loketdienst heb, als die radicale inlichtingen komt vragen. Ik houd men hart al vast!

 

 

rattentoejl

zn (de), geen mv.

1. Stoofschotel van bedenkelijke kwaliteit (???). [>Fr. ratatouille]

Wad ëdde mij naa wee veü ne rattentoejl geriëjd gemokt? = Wat voor (eigenaardig) gerecht heb je nu weer voor mij bereid?

 

ravotte

ww, verv: ravot - ravotte - geravot

1. Spelen, meestal tamelijk wild, waarbij men zich nogal vuil maakt. [>middelnl. ravot = zondig genoegen, zondig vermaak] [middelnl. rabat = rumoer]

In de zoomer ravotte die kèèrels e stukske[n] af oep 't Schérrep Zand. = Tijdens de zomervakantie spelen die kerels veel op het Scherp Zand .

Moete naa më[j] aa goe dinge in't slijk ravotte? = Moet je nu met je zondagse pak in de modder gaan spelen?

 

 

raweülleg / raweüns

bijv nw, tvgl: raweülleg - raweülleger - raweüllegst / raweüns - raweünser - raweünst

1. Onbehouwen, ruw, grof, onbeschoft.

'k Zat van de zomer âân de kust in 't zonneke[n] oep een tërraske, èn iniëjns begon ne raweüllege vènt teege de garsôôn te roepe oemdat em nen Duuvel oïjt d'ijskas kreeg in pleüts van van 't schap. Moete daâ naa zooë onbeschoft veü weürre? = De voorbije zomer zat ik aan de kust in het zonnetje op een terrasje, en plots begon een onbeschofte man tegen de kelner te roepen omdat hij een Duvel uit de ijskast had gekregen in plaats van een Duvel op kamertemperatuur. Moet je daar nu zo grof voor worden?

 

 

Laatste wijziging 29-06-2008 - Toevoegen afbeeldingen
10-05-2008 - Toevoegen afbeeldingen
24-02-2007 - Omzetting naar nieuwe stijl